Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

den Doop bereidvaardig zijn geworden en alzoo het doel der zending aanvankelijk kan gegrepen worden, is het niet goed dit door het stellen van nog bizondere eischen op te houden. Wel gaat in Mark. 16:15, 16 het geloof aan den Doop vooraf. Doch of het zaligmakend geloof waarlijk in beginsel aanwezig is, dit blijkt niet op zékere wijze uit het afleggen van een Christelijke belijdenis, noch uit een verklaring dèt men gelooft of bekeerd is, zoo min als het niet vrijmoedig uitspreken hiervan bewijst, dat het waarlijk gemist wordt. In Mark. 16:15,16 wordt dan ook slechts verklaard in welken weg de zaligheid bereikt zal worden, evenals in het begin van Hand. 2:38, maar niet aangegeven aan wie, of: na welke voorbereiding, de Doop moet bediend worden. Evenals ook in Matt. 28:19 niet wordt vastgesteld, dat iemand, alvorens gedoopt te mogen of te moeten worden, inderdaad met de wedergeboorte of het zaligmakend geloof moet begiftigd zijn.

Zoo ook in die gelijkenis van het Koninkrijk der hemelen, welke wij vinden in Matt. 22. Toen de genooden tot de bruiloft van den zoon des konings, niet wilden komen, en de koning toornig geworden hun stad in brand had gestoken, toen zeide hij tot zijn dienstknechten: „De bruiloft is wel bereid, doch de genooden waren het niet waardig. Daarom gaat op de uitgangen der wegen, en zoo velen als ge er zult v i n d e n, roept ze tot de bruiloft. En diezelve dienstknechten, uitgaande op de wegen, vergaderden allen die zij vonden beiden, kwaden en goeden; en de bruiloft werd vervuld met aanzittende gasten. Of gelijk wij lezen van een zeker mensch die een groot avondmaal bereidde, Luk. 14: 16—24. Nadat de genooden zich allen eendrachtelijk verontschuldigden, toen liet de heer door zijn dienstknecht binnen allen, het minst aanzienlijke volk, dat hij maar tegen kwam en kon medekrijgen. En toen hij zijn heer boodschapte, dat er nog plaats was, heette het: „ga uit in de wegen en heggen, en dwing ze om in te komen, opdat mijn huis vol worde". Daarom is het Koninkrijk der hemelen ook gelijk aan een net, geworpen in de zee en dat allerlei soort van visschen samenbrengt. Iemand door den Doop in den schaapstal in te laten, onderstelt dus slechts zijn bereidvaardigheid

Sluiten