Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

leven betreft. Allen mét elkander dus vormende de Kerk naar haar uitwendige zijde. Uitgewassen allen aan den waren wijnstok, dat is: door de werking van de prediking des Evangelies, dewelke werkt, altijd, óók indien niet tot waarachtige bekeering.

Hand. 8:36, 37 leert dat wie van ganscher harte gelooven, gedoopt moeten worden. Hand. 2:38, 39 zegt het van allen wien de belofte toekomt. Worden hier ook bedoeld allen, welker de belofte is in den zin van Rom. 9:4? Naar Hand. 10: 47 moeten gedoopt worden allen die de buitengewone gaven des Geestes bezitten, natuurlijk niet met uitsluiting van de zaligmakende gaven, maar ook niet met voor de bediening des Doops werkelijk geëischte i nsluiting daarvan. Dit zijn allen gronden, die bij die bepaalde gelegenheden de beweegredenen waren en de vrijmoedigheid schonken om tot doopen over te gaan. Maar wat is nu de uiterste grens voor de bediening des Doops? Wij moeten toch weten niet alleen, dat die en die soort bepaald wel moeten en mogen gedoopt woreen, wij moeten weten de geldende en alle tijden en alle gevallen beheerschende regel waaruit het dan immer vast staat wie wèl en wie beslist niet te doopen zijn.

Het spreekt dadelijk vanzelf, dat zij die van ganscher harte gelooven, moeten gedoopt worden. Ook is het niet zoo vreemd dat zij wien de belofte in volstrekten zin toekomt, d.i. de uitverkorenen, het verbondsteeken moeten ontvangen. Maar wat is nu de uiterste grens? Hand. 10 doet reeds vermoeden dat ook wel anderen somtijds moeten gedoopt worden. Ook Hand. 2:38, 39 sluit meer in dan die bepaald uitverkoren zijn tot zaligheid, gelijk uit het opnemen van de kinderen in het algemeen, van zelf blijkt. Matt. 28 maakt nu aan alle vaagheid een einde; het houdt in, dat allen moeten gedoopt worden, die de begeerte toonen om onder de schare der discipelen, dat is: in de Kerk, opgenomen te worden.

Toch moet er op nog iets gewezen, en wel in verband met Hand. 2:38, 39. Volgens vers 41 werden bij die gelegenheid gedoopt allen die het Woord Gods „gaarne", of naar het Grieksch: met vreugde, aannamen. Zóó was dus de aangenomen gedragslijn in de doopsbediening waarvan Hand. 2 ons meldt. Hetgeen daar besliste of iemand dat teeken zou ontvangen, was alzoo of iemand

1

Sluiten