Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

alzoo d e onderstelling, eisch of grond, op de aanwezigheid waarvan de Kerk waarlijk tot het besluit mag en moét komen, om aan iemand, volwassen of kind, den Christelijken Doop te bedienen.

Het uitwendig gegevene dus, dat zichtbaar is, en waarnaar men niet behoeft te raden; noch waarover men iets behoeft te onderstellen, noch ook te hopen of te vermoeden. Daarop, op die zékere bazis, gaat de Kerk er toe over, om den H. Doop toe te dienen. Dat uitwendige eischt zij en moet zij eischen, zal zij tot doopen overgaan. Dat uitwendige is het dus, wat door elke doopsbediening als zoodanig, bij den doopeling geëischt en onderstelt wordt. Waarom is het dat de Kerk er toe komt om dit kind wél en dat kind niet, die volwassene wél en die niet te doopen? Het is omdat degenen die zij besluit te doopen wél en die zij oordeelt niet te moeten doopen, niet aan die onderstelling of eisch voldoen. Dat uitwendige is het, wat haar gansche wijze van optreden in dezen, beheerschen, dekken, en rechtvaardigen moet. Het uitwendige is de onderstelling, eisch of grond, wat de gesteldheid van de personen zelf betreft, waarop rust het doopen. Het gemis er van, de onderstelling, eisch of grond, waarop berust het niet-doopen van iemand.

Nu dringt zich aan ons nog de vraag op, of wij dan niet met Dr. Bavinck en anderen zouden kunnen zeggen, dat het Verbond der genade alleen recht geeft op, en de grond of onderstelling

is voor den Doop. *)

Ons schijnt het evenwel niet geheel verkieselijk, om dit te zeggen. En wel om twee redenen. Ten eerste is het werkelijk eenigzins dubieus of zij die van buiten in de Kerk inkomen, altijd vóór hun Doop reeds gezegd kunnen worden te zijn in het Verbond.

Zijn zij vooraf waarlijk bekeerd, dan staan zij hiermede met hun feitelijk bestaan ook in het Verbond, en wel naar de verborgen zijde van dat bestaan, al wordt dit in-zijn wat de openbare of uitwendige zijde des levens betreft, eerst ten volle

*) Dr. Bavinck, Ger. Dogm. IV 265 onder, 282, 290 onder.

Sluiten