Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Wij komen op onzeker terrein, een terrein van gissingen en fantasie, te onzeker om er een zoo hooge zaak wèl op te doen rusten, als daar is de bediening van den Christelijken Doop aan de volken der aarde.

Voorts hebben wij nog dit bezwaar. Indien wij zeggen, dat het alleen het Verbond is, dat recht geeft op den Doop, of dat de grond is voor den Doop, dan komt men in gevaar, indien men dit gaat nemen in konsekwenten zin. Als toch het Verbond het eigenlijk is dat alleen recht geeft op den Doop en daarvoor alleen de grond kan zijn, dan kan alleen aan iemand de Doop bediend worden, indien het Verbond ook inderdaad bij hem aanwézig is, n.1. op meer dan bloot uitwendige manier. Want dat uitwendig in-zijn is niet het ware in-zijn op zich zelf, het is een in-zijn op eenigzins overdrachtelijke of oneigenlijke wijze. Indien men vaststelt, dat het Verbond als zoodanig eerst recht geeft op en de grond is voor Doopsbediening, dan kan dit beteekenen dat iemand dan ook waarlijk in het Verbond moet zijn, — niet maar eenigzins of in betrekkelijken zin, maar wezenlijk en op geestelijke wijze. Het bloot uitwendig in-zijn heeft van het eigenlijk en wezenlijk in-zijn in het Verbond nog niets. Iemand die enkel het uitwendige heeft, die heeft het Verbond zelf niet, en die kent het Verbond zelf, niet. Die staat er feitelijk en wezenlijk buiten, hoewel zijn uitwendig in-zijn wel een zekere werkelijkheid heeft voor de Schrift en voor God zeiven.

Genoeg om te doen gevoelen, dat wij met den stelregel die het Verbond tot den eigenlijken recht gevenden grond voor Doopsbediening maakt, weder in onzeker vaarwater komen. Want dan weet de Kerk ten slotte weder niet wie zij moet doopen en wie niet. En tot een on d e r stel 1 i n g moet de toevlucht genomen worden! Zóó moet het huis gebouwd en gestut.

Alzoo niet op het Verbond als zoodanig, maar hoogstens op een uitwendig of betrekkei ij k i n-z ij n daarin, — en niet op wedergeboorte of ware bekeering, waarover God alleen een geldend oordeel kan uitspreken, — maar op de daardoor geeischte gedaante, d.i. de in woord en wandel zich betoonende begeerte tot den Doop; — moet en mag het teeken des Verbonds worden toegepast.

Sluiten