Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Men mag aireede tot ernstigen inkeer gekotnen zijn, men staat dan nog als 't ware tusschen het oude en nieuwe leven in. De keuze moet, altans in het openbaar en voor de wereld, nog plaats hebben; en bij de oprechten dikwijls ook in betrekkelijken zin nog inwendig. Voor de wereld en ook voor de Kerk, staat men vóór zijn Doop dus nog buiten de Kerk. En ook tot zekere hoogte voor eigen bewustzijn. Eerst door zijn Doop gaat men ook voor het uitwendige tot de Kerk over, en met zijn uitwendig leven in de Kerk in, en wordt in die Kerk in zoover ingelijfd, om van nu voortaan het leven der Kerk mede te leven, het leven in den Naam Gods als den Drieëenige, — zich, dus mèt het feit van zijn Doop, te zamen met de andere lidmaten, voegende onder het ééne juk van Koning Jezus en onder de ééne zelfde bearbeiding met Zijn Woord.

De Doop is een inlijving openbaar in de Kerk, d.i. een intreden voor God in het leven der Kerk; daarom een, naar het uitwendige, — trouwens anders kon liet bedienen aan menschen niet opgedragen worden, — ingedompeld of gedoopt worden in den Naam van God als den Drieëenige. Een beslist en formeel overgaan van het wereldleven of bloote natuurleven, in het leven der Kerk, dat niet anders is dan in den Naam Gods des Drieëenigen. Of in het kort: een overgaan van en uit de wereld in de Kerk. Een overgaan, óók uitwendig, van de natuur tot en in, de genade. Of: een overgang van de eene openbaring Gods in de andere, welke niet anders is dan, in hoogeren en geestelijken zin, het daglicht waarbij men leeft. Het is, zooals niet duidelijker en volkomener, en vollediger kan gezegd worden: een gedoopt worden met zijn gansche aanzijn, gelijk eenmaal indien wedergeboren, inwendig,— zoo nü, óók indien niet wedergeboren, — uitwendig, in den Naam van den Vader, en den Zoon, en den H. Geest, Door menschen kan dit laatste geschieden. Het werd ons duidelijk. Er is dus in deze woorden waarmede Christus in Matt. 28:19 den Christelijken Doop doet kennen, letterlijk niets, dat niet geheel voor de hand ligt, en dat men gedwongen zou zijn in oneigenlijken zin op te vatten en te verklaren.

De doop, overgang als hij is in den Naam of openbaring

Sluiten