Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

beteekent en verzegelt. Een ieder voor zich beziet en beschouwt dien Doop hem toegediend, met eigen oogen, al naardat men innerlijk staat tegenover het Evangelie en hiermede ook tegenover den Doop, welken men, een ieder voor zich, heeft ontvangen, gelijk ook kan gezegd worden dat een ieder onzer het Evangelie voor zich zelf heeft ontvangen, en eenigcrmate aanvaard.

Die Doop, gelijk dat Evangelie', spreekt den een vrij, getuigende van zijn verlossing, maar de ander gevoelt zich, — als zijn geweten ontwaakt, — veroordeeld en verdoemd. En in elk geval, hij kent niet de innerlijke vertroosting en kracht noch van Evangelie noch van Doop. Hij ziet er alleen van buiten op. En als hij wat dieper ziet, hebben Evangelie en Doop alleen deze vrucht, dat hij gevoelt er geen deel aan te hebben, er innerlijk tegenóver te staan, — en zulks niet als Gods kinderen, die óók wel zulk een daartegenover-staan in zich ontwaren, maar dan tot hun smart en gru wen.De onbekeerde evenwel is in de boozemacht gevangen.

En nog meer wordt deze tweeërlei spraak van het eene zelfde Evangelie en den daarbij behoorenden Doop verklaard, als wij er op letten dat noch dat Evangelie noch die Doop op zich zélf staan, maar dat zij om zoo te zeggen staan in den dienst Gods, in den dienst des H. Geestes. In het Evangelie spreken maar niet die woorden op zich zelf; en in den Doop spreekt maar niet die waterdoop als zoodanig tot de zielen, maar door deze middelen bewerkt de H. Geest de zielen, spreekt tot haar, gelijk het Hem behaagt, en altijd zooals in overeenstemming is met den eeuwigen raad Gods. Wij zijn innerlijk blind voor de waarheid, en verstaan en aanschouwen haar aileen in zóóver als Gods Geest ze tot ons en in ons brengt. En zoo is het bij den aanvang en ook bij den voortgang. Ja ook het algemeene inzicht en gevoel dat de niet-bekeerden van de waarheid des Evangelies en ook van hun Doop en Christelijke roeping hebben, het is niet zonder de algemeene werking van dien H. Geest. Want ook zelfs op natuurlijk gebied, die kennis die op zich zelf niet tot zaligheid kan leiden, is als van boven, en van den Vader der lichten afdalende. En nog te meer, het gezicht dat een ieder, die onder het Evangelie en gedoopt leeft, voor zich bezit van de waarheid Gods, hetzij zaligmakend of niet, is door verlichting, algemeene óf zaligmakende verlichting, door den H. Geest.

Sluiten