Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

gevoelen, hoe tegen-natuurlijk het voor hen zou zijn om in de zonde te blijven en te 1 eve n opdat de genade te meerder worde.

Nu is deze verklaring van de beteekenis of kracht des Doops naar wij meenen geenzins in strijd met de beschouwing waartoe Matt. 28:19 ons bracht. Reeds zagen wij dat het feit, dat de Doop, geheel op zich zelf genomen, is een uiterlijke inlijving in de Kerk, of inbrenging wat het uiterlijke leven betreft, in de sfeer der openbaring van God als den Drieëenige, in het geheel niet belet dat hij den oprecht geloovige, behalve dit, nog iets anders, ja veel meer is. Wij wezen er op, dat deze uitwendige Doop in den hoogheerlijken Naam desDrieëenigen Gods, onder de verlichting en toepassing des Geestes den oprechte heenwijst naar zijn innerlijk overgebracht-zijn. Toch is hier in Rom. 6 van nog iets anders sprake. Als teeken en zegel van eigen wedergeboorte, zoo werkt de Doop ook gewoonlijk niet in den aanvang. Zoo werkt hij gemeenlijk eerst na gedurende langer tijd in de Christelijke loopbaan geloopen te hebben. Doch het ligt voor de hand, dat bij hen die op volwassen leeftijd na waarachtige bekeering door den Doop zich in de Kerk laten inlijven, die Doop behalve de uitwendige inlijving, nog iets anders doet.

Voor zulken, die door een waarachtige bekeering er toe geleid worden, om zich door den Doop in de Kerk te laten opnemen, ten einde van nu voortaan, ook voor de gansche wereld hun plaats in te nemen, onder de schare der discipelen van Jezus, — voor hen is die uitwendige Doop in den Naam des Drieëenigen, op dat oogenblik nog iets anders. Zulken is toch hun doop inderdaad een „doop der bekeering", zooals van den Doop van Johannes gesproken wordt, Mark. 1:4 — een Doop dus, die öp hun bekeering moest volgen, die bij hun bekeering behoort, die hun bekeering tot een openbaar feit maakt, en waarin de bekeering als 't ware openlijk bevestigd en voltooid wordt. De Doop is een openlijk verklaren, dat deze God is hun God, en dat Jezus Die is, die Hij getuigd heeft te zijn. Zij zetten door hun Doop, en laten zetten door hun Doop, öp hun bekeering, voor God en wereld en de Kerk zelf, het zegel. Zie, het is als 't ware zoo: eerst hebben zij zich bekeerd, of indien gij wilt: de Heere heeft hen bekeerd in

Sluiten