Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

voorhanden geloof te sterken; en waar dus geen oorzaak is, om geloof te onderstellen, mag ook niet gedoopt worden. „Wie geloofd zal hebben en gedoopt zal zijn, die zal zalig worden".

Dit standpunt komt hierop neer. De Doop die immers niet alleen een teeken maar ook een zegel is der genade, eischt en leert hiermede, dat die genade n.1. de wedergeboorte en zondevergeving, hem voorafgaat. Daar het nu vaststaat, dat de kinderen volgens het beginsel der Schrift moeten gedoopt worden, ligt het hiermede voor de hand om van de uitverkorenen onder hen te stellen dat zij die wedergeboorte wel reeds zullen bezitten, en van de kinderen in het algemeen: dit altans te onderstellen.

De Doop is, wij zagen het, als een zegel aan het Woord Gods toegevoegd, n.1. als een zichtbaar teeken om nog te bevestigen wat ons het Woord reeds te lezen en te hooren gegeven heeft. Doch bovendien kan de Doop nog een zegel zijn, door genade met zich te voeren voor hen die hem ontvangen. In dien zin een zegel is de Doop alleen voor de uitverkorenen en wel nadat zij de wedergeboorte ontvangen hebben. Welke genade het is, die hij hun medebrengt, hebben wij nagegaan.

Laat ons nog even het ons voor oogen stellen: 1". De genade die ons in Rom. 6 en Col. 2: 12 wordt voorgesteld, n.1. dat de Doop bij hem die na oprechte bekeering tot de Kerk overkomt, door de werking des geloofs te weeg brengt een versterking van de genade die hem gewerd. De overgang, die in beginsel reeds in zijn bekeering, ingesloten wedergeboorte, plaats had, wordt nu door hem publiek en formeel en voor God, nóg eens beleden, en aanvaard, en hij laat zijn gedane keuze openlijk door de Kerk van Christus bezegelen, en zoo zich, óók wat den uitwendigen levensvorm betreft, maken tot hetgeen hij in het verborgen reeds werd: n.1. een discipel van Jezus. Dit bewerkt door den terugslag hiervan op zijn geloovig gemoed, een versterking van hetgeen innerlijk in hem reeds plaats vond: een dooping opn ieu w door de kracht die uitgaat door het geloof, van den uitwendigen Doop in Jezus, en hiermede in Zijn dood.

2U. Een, gewoonlijk na donkerder dagen, tot rijper geloofsbe-

Sluiten