Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

te e ken en naar den aard der liefde geoordeeld, immers wedergeboorte en een wezenlijk geestelijk in-zijn in Verbond en Kerk. Men denkt onwillekeurig, daarop alléén ziende, niet zoo dadelijk, dat dit nu slechts uitwendig schoon is, en dat het diep in de ziel er juist andersom uitziet. Van binnen enkel verrotting en doodsbeenderen ! Niet diep nadenkende, komt men niet zoo tot déze gedachte. Dat schoone, uitwendige Christendom, in wandel zoowel als in Doop, het eene het andere lieflijk bevestigende en als 't ware de hand gevende, doet aan een óók schoone, verborgen werkelijkheid denken!

De Doop onderstelt daarom wèl de wedergeboorte, als gij het goed verstaat. De Doop onderstelt n.1. het bestaan van die geestelijke weldaad, en onderstelt dat die geestelijke zaak bij de schare die met dat teeken voorzien is, gevonden wordt. De uitwendig gedoopte schare móet wel zijn de breed ere kring, de ruimere bolster, die verbergt en inhoudt de heerlijke kern dewelke waarlijk vertoont de geestelijke gedaante, waarop dat uitwendige wijst en die dat uitwendige belooft. Ja, zeer zeker, het wekt bij ons een droevige gedachte, dat zooveel uitwendig is en slechts schijn: doch dat is op allerlei gebied, van het aardsche, of van de aarsche bedeeling des levens, nu eenmaal het kenmerk. De geestelijke heerlijke werkelijkheid, het echte éérst in het algemeen aangewezen aan het zoekend oog door een breeden kring, welke het op zich zelf of in al zijn deelen nog niet is, maar het in zich verbergt. Het uitwendig aanzien wekt de gedachte en sterkt het vermoeden, dat daar te vinden is, binnen dien kring, hetgeen die uitwendige Christen gedaante, en dat uitwendig gedoopt-zijn, spelt en belooft en aanduidt. Altijd meer schijn dan wezen, meer uitwendig schoon dan inwendig en blijvend! Zóó is het op deze aarde ook in de Kerk. Daar moeten wij niet tegen morren. De Heere heeft het zoo gewild.

Een vrucht van dit niet-kunnen verèffenen, van het niet-gedektworden van al dat uitwendige door een innerlijk wezen, — een vrucht van dat niet kunnen verèffenen is het dat men, om bij den Doop te blijven, hier toch van het onzekere als iets zékers uitgaat, door het eenvoudig als zeker te onderstellen. Derhalve, het

Sluiten