Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

overweging, dat het dan alzoo zou zijn, dat vélen het teeken ontvangen, om enkelen, n.1. om die enkelen voor wie het Verbondsheil eigenlijk bestemd is en voor wie daarom ook het teeken meer in het bizonder bestemd is. Want ook wanneer men bij den Doop de onderstelling te baat neemt, komt het feitelijk hierop neer. Want ook bij dat stelsel zijn op een andere wijze de geestelijk gerechtigden niet te bereiken. Alleen bij onze wijze van beschouwing wordt geen poging gedaan om de werkelijkheid te omzwachtelen, maar de werkelijkheid wordt gelijk God ze schept en geeft, ook aanvaard. Want wat voor vreemds is er toch in, dat de velen die uitwendig met het teeken onderscheiden en afgezonderd worden, slechts dienen voor de anderen n.1. voor de eigenlijke Kerk, en deze in den grond der zaak moeten ten nutte komen? Want dit is immers niet zoo ver af van de voorstelling der H. Schrift! Want immers plaatst deze de dingen gelijk zij voor den Heere en naar Zijn bedoeling zijn, volstrekt niet zoo los en evenwaardig naast elkander. Maar integendeel, het heet in het slot van 1 Cor. 3 van alle dingen, geene uitgezonderd: „zij zijn allen uwe, doch gij zijt van Christus, en Christus is Gods". Zie hier de algemeene, eeuwige, en Goddelijke subordinatie, die ook nü reeds alle dingen, de gansche Goddelijke huishouding beheerscht! Alle dingen, — niet alleen Paulus of Apollos of Cefas, maar ook de wereld, en leven, en dood, en in het kort: tegenwoordige en toekomende dingen — zij zijn allen uwe. Dat is de eerste trap! En gij zijt van Christus. Dat is de tweede trap! En Christus is Gods. Dat is de derde en hoogste trede. En wat zullen wij tot deze dingen zeggen? Zoo God vóór ons is en H ij alle dingen alzoo aan ons onderworpen heeft, wat zullen wij daartegen zeggen? En zoo Hij degenen die alleen van buiten tot de Kerk behooren, slechts ten nutte van die Kerk bestemd heeft, en meer niet, wat zullen wij tot deze dingen zeggen, en daartegen opkomen? Wanneer zij daarvoor alleen, te gelijk met de oprechten, de gedaante der Kerk ontvangen, méér niet, — wat zullen wij tegen God antwoorden? Want er zijn nu eenmaal in een groot huis niet alleen gouden en zilveren vaten, maar ook houten en aarden vaten. En sommige ter eere! Maar sommige ter oneere! En indien zij in het huis moesten zijn, zooals dit op

Sluiten