Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

deze wereld uitkomt, zoo is het ook noodig dat zij met hetzelfde teeken geteekend en afgezonderd worden, als waarmede de kinderen des Huizes geteekend en aangeduid worden in deze aardsche bedeeling. Want zonder dat zouden zij immers, gelijk inwendig, zoo ook naar het uitwendige leven, buiten het Huis Gods komen te staan. Doch God heeft gewild, dat zij er, altans naar het uitwendige, mede in zouden zijn. Zoo was dan ook hun de uitwendige gedaante en het uitwendige kenteeken van noode.

Een uitwendige gedaante en een uitwendig in-zijn, dat ook hun zelf wel eenigermate tot nut is. Immers wij hebben niet voor niet gesproken van den boven de wereld verheven en begunstigden kring, dewelke is de naar de wereld gekeerde zijde der Kerk. In die naar de wereld toegekeerde zijde der Kerk, in dat voorportaal der Kerk, of als ge wilt: in die voorhoven der Kerk, daar heerscht de Naam of openbaring Gods, en wel die h o o ge re en heerlijker Naam of openbaring, waardoor aldaar aan zonde en Satan een nog sterker breidel wordt aangelegd dan daar buiten! Daar heerscht dus die zegenrijke gemeene gratie nog met krachtiger geweld, en wordt tegen de zonde, tegen de wereldsche duisternis en nacht der dwaling, die den mensch reeds in de armen van zooveel aardsche ellende werpt, nog veel sterker dam opgeworpen. Die kracht, die hoogere heerschappij van die algemeene genade Gods, die uitwendig reinigende kracht, die daar uitgaat zelfs eenigzins op de uitwendige zijde van bewijstzijn en gemoed, — want wat wat ziet een heidensch en verwilderd gemoed en duister bewustzijn er anders uit dan een in algemeenen zin verchristelijkt — daar deelt de niet-oprechte en niet-verkorene in mèt de oprechten. Zij, die niet-oprechten, die niet-ware leden der Kerk, worden, te zamen mèt de oprechten uitwendig tot één lichaam samengegroeid, opgeheven en overgeplaatst in hooger bestaansvorm en hooger levenssfeer, ook buiten alle innerlijke wedergeboorte om. Maar dat zij met de oprechten, d.i.: met de eigenlijke Kerk, door de heerschappij in het uitwendige van den Naam des Heeren, tot reiner en edeler natuurlijk bestaan zijn opgeklommen, het is in het natuurlijk leven wèl te hunnen nutte, maar ten slótte niet voor hén, maar ten nutte en ten bate van de Kerk, om n.1.

Sluiten