Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

den vorm daarvan aanbrachten, maar de Heere het wezen. Dat sacrament dat had de Heere opgelegd aan de menschen om te bedienen. Maar natuurlijk, de geestelijke zaak waaróp dat sacrament zag, die was alleen in de hand des Heeren om te schenken. Het is hier nu enkel alleen de vraag: wat was het wezen van het sacrament als zoodanig, of: nog concreter gesproken: van de besnijdenis, die in Gen. 17 is ingesteld, en waarvoor de Doop in de plaats is gekomen?Is het het geestelijke, of het stoffelijke; — hetgeen de Heere doet, of hetgeen Hij den menschen had opgedragen om te verrichten? En het antwoord kan niet anders zijn: het sacrament der besnijdenis laat de Heere bedienen door menschenhand, en was een u i twendig, zichtbaar teeken en zegel van die onzichtbare genade.

En volmaakt hetzelfde vinden wij van den Doop. Ook hier is een geestelijke zaak, waarop het sacrament ziét, en die ook hier met denzelfden naam soms wordt aangeduid als het daarop ziende sacrament, 1 Petr. 3 : 21, 1 Cor. 12 : 13, Tit. 3 : 5. (pag. 68.) Ook hier een uitwendig, zichtbaar teeken en zegel, van het geestelijke en inwendige. Nu is het wel ook hier waar, dat indien iemand door den Heere niet gedoopt is; Hij den geestelijken doop, n.1. de wedergeboorte, niet ontvangen heeft, en dus in zóóverre niet gedoopt is, — maar daarom kan het toch nog wezen, dat hij dat uitwendig teeken en zegel, dat de Heere der Kerk heeft opgedragen te bedienen, en dat de Kerk later een „sacrament" heeft genoemd, wèl ontvangen heeft.

Aan wien heeft de Heere opgedragen om den Doop toe te dienen? Heeft de Heere gezegd: wie door Mij niet gedoopt is, die heeft niet den Doop ontvangen, die heeft alleen maar den vorm daarvan verkregen, maar den eigenlijken Doop niet? Zeker, zoo iemand heeft niet den geestelijken doop ontvangen. Maar de geestelijke zaak, die is toch niet het sacrament? Zoo ja, dan heeft er een verwisseling plaats: dan zullen wij de geestelijke zaak, of de geestelijke genade voortaan „het sacrament" noemen, en wel nader: „de besnijdenis" of „den Doop", — en het uitwendige teeken: „het teeken" of „den vorm" van of voor het sacrament! — Maar wij spreken nu van die zaken, die van o u d s door de Kerk sacramenten genoemd zijn, n.1. die

Sluiten