Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

niet voort, een deelhebben ook innerlijk en geestelijk daaraan. Want hoewel drinkbeker en brood des Avondraaals, waartoe allen die uitwendig in de Kerk zijn den toegang hebben, een gemeenschap zijn aan het lichaam en bloed van Christus, zoo zijn daarom nog niet allen op geestelijke wijze in die gemeenschap ingegaan. Het is voor velen slechts een deelhebben aan die gemeenschap uitwendig.

Zie hoe er naar 1 Cor. 10 ook onder het Nieuwe Testament een deelhebben aan de gemeenschap der geestelijke goederen is, hetwelk slechts in het uitwendige blijft hangen, evenzeer als onder het Oude Verbond, — alzoo dat het Oude Israël hierin ten „voorbeeld" en ter „waarschuwing" strekt aan ons, hetgeen zeer zeker voor de tijden des Nieuwen Testaments dergelijke mogelijkheden onderstelt als onder het Oude Israël bestonden.

Een, enkel uitwendige, Verbondsgemeenschap, óók onder het Nieuwe Testament nog bestaanbaar, als onder het Oude, al is het misschien niet in die overwegende verhouding! Uitwendig genoemd, omdat zij den rnensch in zijn diepste zijn niet aantast en omzet, maar dat er buiten laat en onveranderd laat. Een deelhebben aan de geestelijke spijs en drank, 1 Cor. 10, onder Oud- en Nieuw Verbond beide, dat slechts in den ómkring des levens blijft en dat niet gepaard gaat met een eeuwig „welgevallen" Gods in zulke personen, 1 Cor. 10 : 5. Ziet, hoe Paulus in dit hoofdstuk bij herhaling een parellel trekt tusschen de Nieuwe en de Oude bedeeling. Wij ook, g e 1 ij k alle de vaderen, vers 1—5, hebben een gemeenschap aan het geestelijke, en aan dat uitwendige hetwelk een gemeenschap met het geestelijke was, en is, vers 16—48.

Want men moet niet zeggen: die gemeenschap van het vleeschelijke Israël was maar een gemeenschap aan het uitwendige altaar, vers 18, want in het begin van het hoofdstuk wordt verklaard, dat het een gemeenschap was aan de geestelijke spijs en drank. En nu heft Paulus

Sluiten