Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

tantsche waarheid, op Rome veroverd, dat bij het zichtbare en uitwendige, nog het o n zichtbare en geestelijke moet bijkomen, zal de zaligheid onze zijn, en zullen wij méér dan in betrekkelijken en tijdelijken zin, een lid der Kerk kunnen heeten. Of anders gezegd: het deelhebben aan het zichtbare en uitwendige, doet op en voor zich zelf, nog niet ook deelhebben aan het geestelijke en onzichtbare en eeuwig blijvende. Niet het uitwendige, en het bloote opus operatum maakt ons zalig. Dit zit er bij al wat protestantsch is in, dat het uitwendige en zichtbare het geestelijke en zaligmakende niet immer dekt. Er bestaat een o n zichtbare in onderscheiding van een zichtbare Kerk, of dit precieser uitgedrukt: de Kerk heeft een zichtbare èn een verborgen of onzichtbaie zijde. En nu is de Kerk naar haar onzichtbare en blijvende zijde niet overal waar — of liever: niet bij een ieder, bij wien — zij naar haar zichtbare zijde is.

Dit is voor een ieder die uitwendig in de Kerk is, een nijpende waarheid. En het is zaak, toe te zien, dat niet op een onrechtmatige, onbetrouwbare wijze, de sprong g ed a a n wordt van het bloot zichtbare tot het onzichtbare en geestelijke. Do bloot uitwendige gemeenschap heeft men op bepaalde voorwaarden toe te laten. Z ij maakt op zichzelf nog niet zalig en niet voor eeuwig tot een lid der Kerk.

Doch wij vragen : indien het reeds zoo erg is, dat iemand onbekeerd (en dus ook onwedergeboren) zijnde, kan zeggen: ik kan rustig en rechtens een lid der zichtbare kerk blijven, hoe erg moet het dan niet wezen, — en dit is wérkelijk erg, — dat men zoo iemand, veel meer dan hem enkel een lidmaat van „de zichtbare kerk" of de Kerk in zichtbaren zin te laten, eenvoudig boudweg, officieel onderstelt, een lidmaat te zijn van de Kerk naar haar onzichtbare en geestelijke zijde?

De gedachte dat hij slechts lid is van de zichtbare kerk, bevredigt zijn Protestantsch gemoed nooit, en is daarom zoo heilzaam, — maar de bekende onderstelling sust hem op zijn uitwendig lidmaatschap in slaap, en is daarom zoo g e v a a r 1 ij k.

Want dit vasthoudende, dat zoo iemand lid is van de

Sluiten