Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Groen slingert overal, als prinsen stappen De dienders met hun splinternieuwen steek Door 't joelend volk ...

Aan 't raam weêr, kalm maar bleek, Zit grootje, in kussens, breiend toe te kijken En 't weerschijn-zijden feestkleed glad te strijken; Ze houdt zich aan kornet, gepoederd haar,

Laag lijfje en halsdoek; 't „schoonheidspleister' -paar Op elk der slapen één — verhoogt het fijne Van neus en mond, verlevendigt het kleine Schier zilverblank, eivormig aangezicht Der tachtiger; de zilvren knijpbril ligt In de' opgeslagen bijbel; 't hoofd ter zijde.

Neemt ze uit de hoornen doos een snuifje, en blijde Ten hemel blikkend dezen Koningsdag,

Looft zij Gods Heven warmen Julilach —

Met oogen die me aan moeder-zelf doen denken! 't Vertellen niet verleerd, boeit ze ook door wenken En blikken als ik op mijn hoofd ga staan Of buitien wil — „met broertjes kiel pas aan," Vergroot nadat mijn lepelslag, of stuipen,

Blond Jantje in 't „kerkeputje" deden kruipen. Met broérs huzaren vecht ik op de maat Der schutterij-muziek, die juist de straat Doet daavren van 't Wilhelmus; 't volk zingt mede, Zwaait hoed en pet, en heft zijn Tollens bede, Bescherm o God! nu niet meer dansende aan,

Sluiten