Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Zich Grootmoe's handen in de mijne — „Rust!" Bracht ze uit.

Dien avond heeft ze mij gekust Terwijl er duizend lichtjes van daarbuiten Weerkaatsten in haar traan.

En toen .de ruiten Rinkinkten van het feestgeschut, hoog-op De pekton vlamde, van den torentop Bengaalsehe vuren tooverkleuren spreidden, Muziekgeschal den optocht begeleidde,

Bleek Benjamin stil opgestaan :

't Rumoer, Al uitgclatener voortgolvend, voer Uit alle hoeken van de stad naar boven — Een dwazen droom gelijk — tot in de alkove Waar Grootmoe zat, met allen bij zich ...

Wat

Ze sprak, ontging me; iets plechtigs was het dat

Mij aangreep, iets als uit den Hooge....

— „Kindren!"

Besloot zij, „dank! Het aardsche licht zie 'k mind'ren, Maar 't beetre wenkt. . Laat mij nu slapen .. Dank, Zoo rust ik goed .."

Geen onzer waagde een klank, Maar ieders ademtocht meen 'k nóg te hooren, Zie! Moeder knielde, en snikkend drong 'k naar voren;

Sluiten