Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

NU IS MIJN ZIEL DE WEIDSCHE KATHEDRAAL.

Nu is mijn ziel de weidsche kathedraal,

waar gansch een woud van puurporfieren pijlers oprijzen, hoog, in trotschen beuk bij beuk, des grilligen loofwerks tooverfantazie: gebeeldhouwd wonderlied, waar lotusbloemen, lelies en rozen, vogelijns en eekhoorns 't stramien van zijn, uitspannend, als een droom, versteend in de ijle lucht.

En in dien tempel was 't nacht, zooeven nog. In alle hoeken,

rond al de vensters, rond kolom en outer,

hokten te zaam, hun donkre vleermuisvlerken wijd open, zwijgend-nare schaduwen,

en in het gansche trotsche schip weerklonken stemmen noch schreden, — enkel 't dof gezucht van stilte en schaduw, enkel — uur na uur — de trage, droeve stap des vliênden tijds,

niets meer, niets meer....

Toen kiemde, wonderzacht, de dag in 't grauwend Oosten. Blankgcvlerkte luchtboden zweefden, dwars door muur en venster, den tempel binnen, en — terwijl hun vleugelen, uit zonnegoud geweven, gloeiend groeiden,

Sluiten