Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

ra.

Door zooveel schoon bewogen

stom, bleef ik staan.

De rechter boven haar oogen keek zij mij aan.

Zacht naderde ik ....

Mij was 't, of heel de hemel straalde uit haar blik.

IV.

In koelende schaduw, op 't malsche kruid, liet ik mijn ezelken grazen.

Luid bulkte het dier zijne blijheid uit

Ik hoorde het kauwen en blazen!

„Heisa! Bitter op lip en mond,"

dacht hij vast, daar hij distien scheerde, „dat maakte immers het hart gezond!"

V.

Tot de plukster trad ik nu.

Hoflijk boog ik neer ..,. ,

stamelde zacht: „God vordere u . . ..," mompelde ook iets van 't weêr!

Sluiten