Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Als zuilen staan zij; olm, eik en abeel, hun forsche kruinen streng'len zij lot beuken,

en 't woudgebloemt, uit kelkjes van fluweel, plengt, duizendvoud, des Oostens wierookreuken

Dit is de dag, dit is het uur, de stond,

dat in het woud, hertooverd tot een Eden,

het Christuskindje, in hermelijnenbont. de koningskroon op 't hoofdje, wordt aanbeden.

Ver, op 't geheimste plekje van het woud,

rijst uit een zee van allerhande bloemen

een outaar op van levend, spruitend hout, getooid met kleuren, door geen mond te noemen.

De reuzenroozlaar, die in 't midden bloeit, strooit over 't gras zijn' bloedgetinte blaren;

rond zijnen stam, in grilligst kronklen, groeit een dubbele krans van spar en hazelaren.

Daar zit ten troon het bleeke Christuskind, het handeken tot zeegnen opgeheven ....

De zonne zegent het, de lucht, den wind, en vogels, mos en kruid, en — alle leven.

Sluiten