Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

ZOMERNACHT.

De sterren bloeiden in den zomernacht;

De zuidewind suisde in de boomen zacht.

Op de oude huizen trilde manelicht,

Hun oogen loken stil ile zwanen dicht,

Die straks nog dreven op de donkre gracht.

De sterren bloeiden in hun flonkerpracht.

Wij togen droomend door de straten heen, _ De erinnring troost me als ik verlaten ween — In kalmen sluimer lag de stille stad.

De maan dreef langzaam langs haar zilvren pad En langzaam togen we over de oude brug. Die oude erinnring komt zoo trouw terug!

— „En zoekt ge een rots waarop ge leunen moogt? O neem mijn arm, die u te steunen poogt!

En zoekt ge een warme, vaak doorgriefde borst? O neem de mijne en stil uw liefdedorst!

En zoekt ge een ziel die zegge: — „Doode, ontwaak!" O neem de mijne voor die godetaak!"

Sluiten