Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

MIJN HAAT.

Ik ben met mijn Haat door het leven gegaan. Een mantel van purper had zij aan En, onder dien mantel, een kleed van rouw, Als het slepend gewaad van een weduwvrouw; En een kroon van robijn op haar lokken blond, En een bitteren lach om haar trotschen mond, En een levende slang om haar middel heen, Als een goudgroene gordel van edelsteen.

Zij droeg in de rechter een zwarten staf,

Daar sloeg zij de zomersche bloemen mee af, Die lieflijk ontloken, langs heg en vliet,

En die zij mij nimmer toch plukken liet.

Zij droeg aan haar boezem een passiebloem; Dat die bloem niet verwelkte, dat was haar roem. En als ik haar smeekte om een koelen dronk, Dan was 't of daar vuur in haar oogen blonk, En zij bood mij vol alsem, die nóg mij brandt, Den albasten kelk van haar holle hand.

Maar toen ik daar stond bij mijn lievekens graf, Daar knopte en daar bloeide haar zwarte staf,

Sluiten