Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

VIII.

God is geen koning, op een troon aan 't pralen, Met, rond hem, englenstoeten, wijd uit zwierend, Die, diep door gouden loftrompetten gierend, Een enkel ding steeds aan elkaer herhalen, —

Daarna, bij hellen klinkslag van cymbalen,

Ten rei geschaard, in de' aether feesten vierend Terwijl Zijn hand, des hemels dans bestierend, Het Al regeert tot de aller-verste palen.

God is in eenvoud van spontane woorden, In zelfgenoegzame muziek-accoorden,

In 't hart, dat in zichzelf zijn glorie vindt.

God is in zonneschijn en mededoogen,

In klare' azuurglans van onwetende oogen, In 't luid-uit lachen van het schuldloos kind.

Sluiten