Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Laat ik nu denken hoe dat alles was,

gaat toch niet voorbij, mijn gedachten, zoo ras, en schoone blanke stem blijf in 't zwart duister staan, wil toch niet zoo ijlings van mij weggaan.

't Was buiten de stad in de kou van water en wei, erg rauw

blies de wind het laag land over, de boeren sliepen, de stad was verlicht waar de wakkere menschen liepen.

De wolken weenden soms, verder gingen ze, zonder herder van zelve als menschen doen die doelloos, aarzelend spoen.

Zwart glansden mijne oogen mijn mond werd zwart in 't droogen,

fijn spikkelden druppels neer op 't drooge lippenbegeer.

Zacht druppelden neer de teere nachtdruppels die dorst vermeeren,

de zwarte nevelvlam

Sluiten