Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

ALBERT VERWEY.

UIT PERSEPHONE.

Toen zij een kind was, woonde ze in het dal

Van Enna, waar 't gebloemte gaarne groeit,

En rees er ied'ren morgen voor de zon,

En liet Demeter in haar hooge woning,

De schaduwlieflijke, van levend hout,

Met groene zalen, koel en wijdgewelfd;

En huppelde blij-neuriënd in den dauw,

Met wangen, waar de blos op lag en leefde,

Onwelkbaar, als een rozenblad in 't woud

Der Schoone Slaapster. Zóo ging ze uit, Zeus' kind,

En ging al stil de stille velden door,

En zag de laatste sterren in de lucht

En 't glimm'ren van den zilv'ren dageraad.

Of waar 't vlietwater met een zachten val

Geruisch maakte in de schemering van 't woud,

Daar zat zij soms, nog vóór de voog'lenkoren,

Op eenen weekbemosten boomstronk neer.

Dan hoorde ze onder 't loover wiekjens fladd'ren,

Sluiten