Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

En om de stammen gonsde 't als 't gegons

Van bijën, zwermende op een zomernoen;

Tot al de ontwaakte zangers uit hun nestjens,

De veêrtjens schuddend ritselden in 't loof,

Onzichtbaar fladd'rende van takje' op takjen,

En van het hoogste, wiegende in de lucht,

Opstijgende, immer zingend, hooger, hooger,

Met blij geluid uit klare, kalme keel.

En Kora keek die schelle fluiters na,

En zat een pooze in willend mijm'ren neer,

Doch dan, de lichte lokken schuddend, sprong

Zij op en vlood met luiden, langen lach,

De kleine handjes klappend boven 't hoofd;

En, met de voetjens plassend door de beek,

Verdween zij hupp'lende in het donk'rer woud,

Van ver nog roepende als de voog'lenkoren.

En somtijds speelde ze op de bonte weide,

In schaduw van een breedgetakten eik,

En riep de nimfen naar dat lieflijk oord,

Ten spel of vluggen dans bij heldre maan;

En riep ze, schalk verscholen in een boschjen,

Of zwemmende op een vliet en waterval,

Waar 't zingen klonk door 't schallen van den stroom.

Dan was zij enkel kind, Kora haar naam;

Dan glansde 't zonnig blinkend in haar oog;

Dan gloeide 't blijde bloed door 't waas der wang,

Gelijk de blos op zomervruchten gloeit

Sluiten