Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

In eenen ooftgaard, die op 't Zuiden ligt.

Doch soms ook zag zij allerlei geheim:

Vreemde mysteriën van kruid en ster, En bloemen, naar den stillen nacht genoemd.

Op een verloren plekjen in 't gebergt', Met vreemdverlichte grotten, zaten zij Des nachts bij stille lucht en sponnen zich Met snelle hand hun wondere gewaden;

Waarbij zij lied'ren zongen, die, misschien, Den wand'laar deden luist'ren in de vert', En stilstaan aan den oever van een stroom, Het hoofd gewend en droomend, wijl de maan Zijne en der boomen schaüw op 't water wierp. En Kora zat dan bij hen, stil gelijk Een kind, dat half in sluimer alles hoort,

Doch sluim'rend meent, dat het van verre komt, Door 't open venster.

Zoo was 't jaar aan jaar: En menigmaal zag ze aan den appelboom De roode en witte bloesems in de zon Zwellen wijl ze opwies, immer lieflijker.

Sluiten