Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

En als met d'avond wonderdiep zich kolkte In rast van 't bergmeer 't wild ondiep gewemel, En in de straling van den oopner hemel De vaste bergen diafaan verwolkten,

Dan leefde op aard weêr de oude sprook van leven, Van iedren aardedag op aard begonnen,

En bij de sterontstoken horizonnen Avondlijk als gebed tot God geheven.

O, 't werd mij droef als dood toen zwenkend zakte In neevlenkim der bergen steile wanding,

En blauw verkromp hun kamgegolfde branding Ebbend van strand der eindelooze vlakte.

'k Groette: Gelukkig zij wier zonnedagen,

Gangen van eindig- naar oneindigheden,

Uit 't dal onmerkbaar doen ten hemel treden En weêr gestaag terug naar de aarde dragen....

Maar toen de stroom. verbreed voor goed bedaarde Onder de praling, Holland, uwer luchten De laatste efifnende wieling vergeruchtte, — Wonderverdiepte vrede waar 'k toe klaarde!

Sluiten