Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

'k Liet nu van kruin tot stam mijn blikken dalen en zag een wolkje... een schatiw... een schim den grond als een gedaante ontwalmen, wiegend dralen in wondere gelijknis, die mij bond,

verrukt, ontroerd, met hijgende ademhaling,

aan 't nevelbeeld, dat gloeide in rose straling,

doch ras in smook verging, allengs verspreid, die struikgewas en hooge bogen vulde,

— één mistig waas van ondoorzichtbaarheid dat tak en stam in klamme vouwen hulde en neerzakte, als een rauwe zwaarte, op 't hart, — verkrimpend als van diep verkropte smart.

Gelijk de zon, uit langen slaap ontwakend,

zich aanstonds weer met lijkwade overtoog,

viel weer de ziel, 't herwordend opgaan slakend,

machtloos in 't lichaam neer, dat machtloos boog,

als wilde zij voor immer 't leven derven,

een laatste vlam nog schietend vóór te sterven....

O zonne-, o zielestrijd! Verborgen kamp!

Wie peilt dat pleit van doodgaan en herleven,

door 't grauwe doek van dichten neveldamp voor menschenoog en menschengeest omgeven,

daar oog en geest, slechts gissend, vorscht en raadt door 't mistdoek heen en 't menschelijk gelaat?

Sluiten