Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

der schellen, den zwaren dreun van de torenklok en het zachte bijna onderdrukt getjilp der vogeltjes, die op hun wijze ook hun hulde aan den Schepper schenen te brengen, gevoegd bij die der menschen.

Dicht bij het altaar, waar de laatste zegen gegeven werd, lag Irene geknield; de processie herinnerde haar aan die uit haar kostschooljaren maar nooit had een plechtigheid haar zoo diep getroffen als nu. Toen de grijze pastoor de schitterende gouden monstrans ophief en alles een oogenblik zweeg en diep het hoofd boog om den zegen van het Allerheiligste te ontvangen, smolt zij weg in tranen van aandoening, zij had de handen over de borst gevouwen, en haar hart klopte van eerbied, ontzag en liefde.

Op dit oogenblik schenen al haar kinderachtige verlangens, haar ijdele wenschen, haar onvoldaan ledig hart, alle kleine grieven tegen haar omgeving zoo gering, zoo nietig, zoo dwaas. Zij voelde zoo duidelijk dat er een betere, een hoogere wereld bestond, een '.even vol heilige, reine aandoeningen, waarbij al het andere in het niet verzonk.

Hoe begreep zij nu het woord van den Apostel, „Heer, laat ons hier drie tenten bouwen?" Zij ook voelde dat het nergens beter en veiliger was dan aan den voet der altaren, dat hier alleen ware vrede en waar geluk te vinden was. Haar voor elke aandoening zoo ontvankelijke ziel juichte mede met eiken zonnestraal, met eiken zoeten klank, met elke frissche bloemengeur, haar God en Schepper ter eere; alle wanklanken schenen in dit onvergetelijke oogenblik opgelost, niets dan zoete harmonie vervulde haar geest en hart.

Sluiten