Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

,'t Is zoo jammer, zoo janimer, dat zulke oc'ge'riblikken maar zoo kort duren" zeide zfj 'een half uur later tot Hertnïne en Annette, die met haar nög een wandeling door de korenvelden dede'n, „ik wilde clat zulk een stemming altijd duurde, dkn voel ik mij zoo goed, zoo tevreden, zoo kalm, ik zou er niets tegen opzien altijd hiér te blijven, ik zou tante en zelfs Truitje kunnen liefhebben. Zeg Annette, is dat nu wat je in het klooster wacht? Als dat zoo ware dan zou ik niets ïiever willen dan met je meegaan en ook ion worden."

„Neen," zeide Annette ernstig, „dat moet je 'niet verwachten, die ooigenblikken, dat de hemel voor ons geopend schijnt, duren maar kort. God 'gaf ze ons in Zijn goedheid om ons te toonen wat Hij later voor ons bewaart. Hier benedén zijn wij er niet voor bestemd, wij moeten lijden, strijden en dikwijls zonder eenïgen uitwendigen troost, terwijl alles rondom ons somber en koud lijkt."

„Ja dat is 't," zuchtte Irene, ,'t is niet altijd zoo'n heerlijke zomeravond. Dan komen regen, mist, stormt dagen zonder zon en licht. Üe godsdienst is niet a/tijd zoo mooi als daar straks, dikwijls is zij ernstig, streng, als zij van plicht spreekt, van offer, van zelfverloochening."

Ja, dat is 't juist, dalt is de weg, dien wij hier op aarde moeten gaan, het andere is een 'flauw schijnsel van 'den h'etóeï."

„Én toch, toch..." en Irerie's mooie oogén schitterden van edn geheime, diepe vreugde, „wat komt hét er op aan, kl is de weg zoo moeilijk eh dooritig en steil als wij boven op den berg den hemel vftïtfen."

Sluiten