Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

„D.oe als ik, voer iets iyt, nee.iq stooi gbreien dan z^l je. wai;m wordep," kre^eg $ tot

troost. .

„P^nk u, d^ar vya,cht ik nog veertig jaar mes.

Meteen wieijp zij, huiv^rtnd een blik, door d.^ fljjnjijk nette kamer, waarin dank het ingewikkelde gorcftjnenstel voor de ramen, altijd een plechtig schemerduister heerschte en waar de glimmende stoelen m?t ^wart trijp bekleed, als soldaten langs den myur gerangschikt stonden tusschen het ouderwetsche kinnet, het ^yflet, den schoorsteenmantel me( zijn versiering van pendule en bloemvazen onder stolpep.

„Veertig jaar h»er leven, hier!"

En toen plotseling op vleiende^ toon:

„Och tantelief, ik kan 't niet uithouden, ik ben benauwd en koud tegelijk, laat mij uitgaan ! Ik bejoof u, ik zal geen slechtigheden bij de Kralingens opdoen, m^ar ik zal heel zoet n^ar Hermine gaan en Su?e helpen haar uitzet te merken. Toe, laat mij ga^n 1"

„Nu, hoe eer hoe: liever, dan krijg ik rust. Voorzienig, vlieg nu zoo niet weg, daar neem je mijn heele kluwen mee! Wanneer zal je nu eens bedaardheid en rotheid leefen ?"

Een, twee, drie had zij zich uit het nef: van g<iren bevrijd, het kluwen opgerold, in tante's mandje gelegd en wipte weg, bij de deur met een stralend gezicht haar tante een kushandje toewerpend; een oogenbjijt Jater ging zij in een regenmantel met een bopt fflutsje op het hoofd de ramen voorbij.

„G^at de juffrouw daar weg?'' vroeg Truitje, difjuj?t met een kop bouilion voor tante Emma binnenjcjvam, „ik dacht, dat u ze niet uit liet gaan?"

Sluiten