Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

hem op dit oogenblik een grauwen, doflen tint aan ; hij verliet Irene en dacht in zichzelf.

.Mijn paradijs, of liever wat ik voor mijn paradijs hield, heb ik verloren ! Ik voel 't!"

VI.

„Irene nog niet terug ?" vroeg de oude Dr. Rovinck in het begin van Februari aan juffrouw Durieux, die weer last had van rheumatiek en gevatte koude en haar kostbare ledematen niet goed durfde toevertrouwen aan zoo'n jongen spring-in-'t-veld als zij Paul noemde.

„Gelukkig niet; 't wordt wel tijd, maar ik houd mijn hart vast als zij terugkeert. Al dat pret maken zal haar zoo verwend hebben dat er wanneer zij terugkomt geen huis meer mee te houden is."

„Hoe langer het duurt, hoe meer moeite zij zal hebben om zich hier weer te schikken."

„Ik wou dat zij genoeg kreeg van het feestvieren, en de drukte, zoodat zij hier de stilte meer waardeerde."

„Ik vrees dat het niet gauw gebeuren zal, juffrouw Durieux."

„Zij is een ondankbaar schepsel; niemand kan zeggen dat ik haar geen pleziertje gun. 't Is nu toch al drie volle weken dat zij in Den Haag logeert bij de schoonzuster van mevrouw Van Kralingen. Ik heb niets met die menschen op en 't is dus alleen voor haar

plezier dat ik 't toesta."

„Of voor uw eigen gemak" dacht de dokter „wie weet of zij daaraan niet Irene's toekomstig welzijn opoffert en zich nog verbeeldt iets zeer verdienstelijks te doen."

Sluiten