Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

„In de oogen van je Kerk misschien niet, maar in die der wereld en in de mijne wel! O Irene, wanneer je mij liefhebt, waarlijk en innig, zooals ik t je doe, waarom dan door een vorm je van mij laten scheiden? Hoevele duizenden leven alleen burgerlijk getrouwd,

gelukkig en tevreden."

„Geloof je dan aan geen God?" vroeg Irene hem

ernstig aanziende.

Hij haalde zijn schouders op en antwoordde ont-

wijkend-

„Die vraag is moeilijk Irene, aan een God, zooals jij je voorstelt, neen, daaraan geloof ik niet. Vraag je mij echter of ik een macht erken, die alles in leven en wezen houdt, en alles het bestaan schonk, het beginsel van alles wat er is en was, dan is 't een andere vraag. Het kan zijn, dat er zulk een macht bestaat, ik wil het niet ontkennen, maar ik geloof niet dat die in het heelal verborgen geheimzinnige kracht zich met ons menschenkinderen inlaat, dat zij onze lotgevalletjes regelt, ons wetten stelt, die wij moeten nakomen op straffe daarvoor eeuwig naar de hel verwezen te worden." „Dus je gelooft ook aan geen hel en geen hemel,

aan geen leven hiernamaals?"

„Ik geloof, dat elk mensch zich hier beneden zijn eigen hel en zijn hemel maakt; een goed geweten, het bewustzijn van onze plicht gedaan te hebben dat brengt den hemel in ons binnenste, en het tegenovergestelde de hel. Is dat geen veel mooier en grootscher idee dan dat armzalig helletie en hemeltje, waarvan je priesters zoo smakelijk kunnen preekenr '

Maar Irene luisterde niet; zij sloeg rillend de handen voor haar gelaat, het was haar of zij in een afgrond

Sluiten