Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

„Réné, wees zoo wreed niet! Och mevrouw, zeg hem toch, dat ik zijn wil niet kan, niet mag doen. 't Is niet om de wereld, 't Strijdt tegen mijn geweten !"

„Och lieve kind !" sprak mevrouw Van Kralingen, „ons geweten is maar wat wij er van maken. Geloof mij toch 1 Ieder mensch houdt er zijn eigen geweten op na. Zeker, godsdienst is zeer mooi en 't zou er gek op de wereld uitzien als er geen godsdienst bestond maar men moet niets overdrijven. De geestelijken, waaronder er heele beste menschen zijn, hebben van die dingen geen verstand. Wat heb je er aan als je hun raad opvolgt en je eigen geluk verstoot? Zij zullen je niet troosten of hun troost zal je niet gelukkiger maken. Zijn Van Kralingen en ik dan niet heel gelukkig met mekaar ? Wij hebben nooit gekibbeld over

roomsch of protestant."

Irene had geen kracht om te antwoorden, zij voelde dat mevrouw Van Kralingens lessen voortkwamen uit een oppervlakkigen geest en een onbeduidend karakter; instinktmatig voelde zij dat hetgeen dit kleine zieltje vulde, voor haar niet toereikend zou wezen en haar

niet voldoen kon.

„Laat mij nu maar naar huis gaan' , verzocht zij

met een moeden, afgematten blik.

„Ja, maar Réné breng haar naar het hek, niet verder hoor, want zij praten toch al genoeg in Warnsloo en ik heb niet graag moeilijkheid met de menschen, vooral

als er niets van komt."

„Wil je nog nadenken, Irene?" vroeg hij toen zij alleen waren, „en mag ik je antwoord dan komen halen, wanneer je wilt, vandaag morgen, over een week( een maand, als je het maar zegt."

Sluiten