Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Zij sloeg haar groote, onschuldige oogen naar hem op.

„Réné," vroeg zij „zou je willen dat ik een vrouw werd als mevrouw Van Kralingen ?"

Hij glimlachte.

„Neen, Irene! ik heb je lief, zooals je bent en niets anders, als ik dit eene maar in je kon breken, meer verlang ik niet."

„Ik bedoel, zou je mij lief kunnen hebben, als ik zoo lichtzinnig kon denken over de ernstigste zaken, die de menschheid bezighouden als mevrouw Van Kralingen ? Zou je willen dat ik zoo oppervlakkig was ?"

„Ik vind het echt vrouwelijk en allerliefst! Een vrouw moet geen anderen God hebben dan haar man; geen priester mag tusschen hen staan. De liefde, die hen verbindt moet zoo groot, zoo sterk zijn dat zij hen boven alles verheit, boven geloof, boven menschelijk opzicht, boven andere familiebanden. Dat alleen is de ware liefde, zooals ik haar begrijp, en de vrouw, die mij dit niet geven wil, kan de mijne niet worden."

Onwillekeurig vergeleek Irene zijn opvatting van de liefde met die van Paul; hoe geheel anders sprak en dacht Rovinck.

Haar verstand zeide duidelijk genoeg dat Pauls inzicht het hoogste en reinste was, maar waarom moest Réné's stem dan zoo bekoorlijk klinken ? Het geluk, dat hij haar beloofde, lag zoo vlak onder haar bereik. Zij kon het zien en het andere lag zoo hoog. Waarom hoorde zij naar hem het liefst ?

„Dan is er niets aan te doen," sprak zij bevend, bijna onhoorbaar: „adieu Rénél"

„Is 't je laatste woord, Irene?"

Ja, ik kan niet anders? Waarom moet juist ik toegeven f"

Sluiten