Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

„Ik ben oprecht tegen je geweest. Je hebt alle recht mijn yoorwaarden niet aan te nemen. Tracht mij te vergeten als je kunt, ik zal het ook doen. Ik heb mij in je vergist."

Hij keerde zich om, zonder groet, zonder handdruk, zij zag hem na, met groote, brandende oogen, die geen traan kwam verfrisschen.

.Zal ik hem naroepen, neen, ik mag niet, ik mag niet 1" Zoo herhaalde zij telkens en ging het bosch uit, het smalle voetpad tusschen de wallen in, dat haar dadelijk in de stad bracht.

„Immortelle," hoorde zij een schelle stem roepen, en nog vóór dat zij 't wist had kleine Willie haar hand in de zijne genomen, „wat zie je er bedroefd uit; men zou je zoo op een graf zetten, arm bloempje!"

„Ik ben ook bedroefd, erg bedroefd, Willie," antwoordde Irene en trok zijn arm door den hare.

„Dat heeft die akelige, zwarte man van het Hoefijzer gedaan!" riep de onnoozele verontwaardigd uit, „hij doet mij denken aan een leelijken mol, die van alle bloemen, de wortels opeet. Hu, hu! Immortelie moet maar niet meer naar het Hoefijzer gaan en altijd bij ons komen. Dan wordt zij spoedig weer een lief, vroolijk madeliefje ?"

Toen zij 'thuis kwam, ontving tante Emma haar met een vinnigen blik.

„En ik zeg je dat geloop naar de Van Kralingens moet uit wezen," viel zij bits uit. „Truitje kan niet op straat komen of zij vragen haar of 't waar is, dat je met dien vreemden sinjeur, die neef van moeder Van Kralingen zult trouwen, 't Is mij wat moois, zoo'n heiden, zoo'n godloochenaar!"

Sluiten