Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Irene duidelijk de stem, die vroege^ in de stilte zoo dikwijls tot haar gesproken had en die zij in de laatste weken met geweld verstikte, de stem van haar

helder verstand.

„Maar de smart, laat zij zich verjagen door den eeredienst van de Vreugde, door de aanbidding van het Schoone en als zij komt, tot wien wilt gij dan gaan ? Tot Hem, van wien gij u nu zoo trotsch afkeert en die gezegd heeft: „Komt tot mij Gij allen die| belast en beladen zijt. Ik zal u verkwikken." Dan ja, dan heft men de oogen op tot dat kruis, waarvan men de schaduw nu zoo somber, zoo droevig vindt!"

Zij boog het hoofd diep» heel diep!

„O God vergeef mij, ik kan niet anders" fluisterde zij „wees niet onbarmhartig... ik... ben zoo zwak !

En zóó zag zij nu haar volgend leven in, een aaneenschakeling van zoni#ge dagen — aan verdriet, aan ziekte of dood kon of wilde zij niet denken — maar zonder God, zonder gebed, zonder Sacramenten.

Van alles deed zij afstand; zij voelde het nu, vrijwillig, met vol besef en vol bewustzijn. O als zij niet geloofde zooals Réné, of zooals Paul in enkele dagen van zijn leven, maar het geloof brandde nog in het diepste van haar hart evenals daar ginds het zacht schijnende Godslampje, dat zoo trouw de wacht hield voor het tabernakel, alle twijfel was verdwenen!

Ja, zij alleen wilde het zoo; voortaan zou de hemel ledig voor haar zijn, er bestonden voor haar geen engelen, geen heiligen meer, het Evangelie was een boek met schoone verhalen en wijze lessen geworden meer niet. Christus — zij rilde nog bij die gedachte

Sluiten