Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

smolt dadelijk weg in een glimlach vol medelijden.

„Mijn arme, kleine Irene, je bent zoo zwak en koortsig! Wij zijn immers boven die kinderachtige vooroordeelen verheven ? Wij denken toch in alles gelijk, niets stoort immers meer de harmonie tusschen ons."

Maar de harmonie was toch verstoord; Irene wist dat er altijd een ijzeren muur zou blijven bestaan tusschen haar en haar man, dat er van een oplossing hunner zielen in elkander nooit sprake kon zijn. Hoe meer zij de volheid van het aardsche geluk genoot, hoe meer zij voelde dat haar ziel ér nimmer

door verzadigd kon worden.

Réné had haar lief, innig, misschien overdreven lief, maar hij wenschte ook dat niets in haar nem weerstand bood. Zij moest als was zijn in zijne handen, hij hield ha|r geketend met banden van louter bloemen maar wee haar! zoo zij daaraan tornde, zij voelde, dat zij sterker zouden blijken dan indien zij van staal en ijzer gesmeed waren.

Reeds vroeger had zij dikwijls gevoeld, dat een afgrond vele van zijn begrippen en opvattingen van de hare scheidden ; haar denkbeelden bléven nog steeds door en door christelijk en slechts daar waar zijn natuurlijk goede beginselen zich met de hare ontmoetten, sympathiseerden zij ten volle met elkander. Daar, waar de wereld zich van hen had meester gemaakt, schrikte zij terug, dat was een andere atmosfeer dan die, waarin zij van kinds af gewoon was te ademen.

Telkens ook betrapte zij hem op inconsequentiën tusschen zijn beginselen en' zijn daden, hij was ontegen-

Sluiten