Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

donkere groen glansden. Een feest van bonte tinten, van zonneglanzen spelend op bladeren van satijn, op bloemen, stralend als edelgesteenten, wuivend als vederen; een rijkdom van rozen wild opschietend tusschen de struiken, lianen wiegelend bij e)lk zuchtje van den wind, en over alles de diep blauwe lucht van het Zuiden, ver aan den gezichteinder in opalen glans, zich verliezend de donkergroene golven der zee, waarover het schuim zilveren sieraden strooide, en waaruit eilanden opdoken groen als smaragd of roodachtig bruin als porfier, een wondervolle schilderij als in een lijst gezet door de grillig omkronkelde loggiaboog, paarsch van clematis.

Irene staarde er naar en vroeg zich af of zij ooit had kunnen droomen van zulk een paradijs ; naast haar lag haar kind, haar aangebeden kind en daar kwam haar Réné weder, reeds van verre zijn groet haar toewuivènd.

„O, de beker loopt over, zal hij nooit ledig worden, zal op zijn bodem geen gal liggen?" vroeg zij zich

angstig af. .

In haar ooren klonk de uitroep van de italiaansche

vrouw, die het kind verzorgde.

,,'t Is toch jammer van zulk een engeltje, dat hij heiden moet blijven en dat de duivel niet uit hem wordt verjaagd door het H. Doopsel!

Zij moest er telkens aan denken, waarom ontbrak dit eene aan haar geluk of liever waarom moest zij het gemis daarvan altijd voelen? Had zij niet alles, alles, wat de wereld wenschenswaardig toeschijnt. Zou zij die andere stem dan nooit kunnen verstikken, de prikkel van die droom altijd voelen ?

Sluiten