Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

„Het land is ongedoopt, het staat voor de poorten van het paradijs, het vraagt mij de genade, die ik hem onthield in mijn verblinding."

Zij wilde water nemen, zij wilde de heilige woorden spreken, maar de kracht ontzonk haar.

Zij verloor het bewustzijn van alles wat er rondom haar voorviel.... en zonk als levenloos voor Réné's voeten neder.

XIV.

Doodsche stilte heerschte in de vertrekken, waaruit het kind was weggedragen; als verpletterd door smart, dook Irene in haar ligstoel weg. Réné, bleek als een geest, met afgematte, door de smart verwrongen trekken zïftf^voor haar en zag met diep medelijden en wroeging op zijn vrouw neder. Toen* hij haar daar zag in haar somber rouwgewaad, marmerwit, gebroken, kinderloos, een geknakte lelie, zou Willie Rovinck zeggen, voelde hij zijn oude liefde weet in alle kracht ontwaken. De herinnering aan de ij dele, wereldsche vrouw, die in maskeradepak met geblanket gelaat bij het sterfbed van haar kind had gestaan, raakte op den achtergrond, hij voelde nu, meer dan ooit haar lot met het zijne vereenigd en toch begreep hij dat die noodlottige nacht een afgrond tusschen hen gegraven had, welke niet gemakkelijk meer te dempen was.

„Irene," zeide hij zacht, bijna smeekend.

Zij sloeg haar moede oogen naar hem op.

„Verlang je iets, Réné?"

„Ik wilde je vragen, wat nu?"

Een smartelijke trek kwam over haar lippen.

Sluiten