Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

„Ik weet het niet, het leven lijkt ^me zoo ledig, zoo hol, zoo somber toe."

'Hij kwam naast haar staan en nam haar hand in

de zijne.

„Kan je mij vergeven ?"

Zijn stem haperde, klonk onzeker, bevend; het kostte hem veel die woorden te zeggen, sinds dagen en nachten zweefden ze hein op de lippen, maar steeds kon hij ze niet uitspreken.

„Je vergeven ?" vroeg zij verwonderd, „wat dan ?"

„De woorden, die ik toen zeide, in mijn wanhoop....

mijn verwijten..."

„Ik had ze verdiend, ten volle! Ik heb je niets te vergeven Réné, ten minste..." zij huiverde en stamelde ... „als je den dood van ons kind niet verhaast hebt."

„Neem," barstte hij uit „dat niet! Ik zweer het je Irenq; 't kind heeft geen tien minuten meer geleefd, nadat je he!t bewustzijn verloor. Het is gestorven in mijn armen. O ik zie zijn laatsten blik nog uit zijn

gebroken oogjes "

Zijne stem brak in tranen en hij knielde voor haar neer en verborg zijn hoofd in haar schoot.

„Hij is gelukkig" snikte hij „gelukkig dat hij nooit ons leéd zal kennen, en den last des levens niet heeft behoeven te dragen."

Irene antwoordde niet, hij ging voort:

„Mijn arm kind! zoo te sterven, zoo jongl 't Is niet om te vergeten 1 En toch Irene, wij moeten samen lijden, dan wordt het misschien lichter I"

„Zullen wij dat kunnen ?" vroeg zij nog altijd met dien zonderlingen, kouden blik.

Sluiten