Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Hij immers was haar god, -haar eenige steun, haar raadsman en in zijn trots vergat hij hoe èn in de weelde, èn in de smart hij machteloos was geweest

haar iets van dat alles te zijn.

,Maak je niet ongerust meer," zeide Irene, „dat is'voor goed voorbij. Ik heb mij Gods genade en barmhartigheid onwaardig gemaakt. Hij gaf mij een kind zoo mooi en goed als ik 't maar wenschen kon, ik heb er mij een speelpop van gemaakt, ik heb er e-een zorg genoeg voor gedragen, en 't is mij ontnomen en nu mis ik zelfs den troost te denken, dat

hij juicht voor Gods troon.

,Irene," zeide Réné geërgerd, „ons leed is groot genoeg: verzwaar het niet meer door de droomen van een opgewonden fantasie. Hoe kan een redelijk mensch gelooven, dat een gestorven kind door een paar druppels water meer of minder gelukkig wordt? Dat is te onzinnig! Ons kind is dood, teruggekeerd tot

het stof, waaruit hét voortkwam.

„Kun jij dat gelooven ? Ik niet! Wat ik ook gedaan en misdaan heb, het geloof in mijn ziel kan ik niet dooden', al zou ik het ook wiUen. Ik heb 't ver. stikt, diep, diep begraven, zoo zelfs dat ik meende^ dat het nu voor goed gestorven was. Alles heb! ik gedaan om het mij te verbeelden en hoe ik toen iwas, hoe ik toen handelde, dat weet je, Réné. Ik danste aan den rand van den afgrond en dat ik er niet in stortte, misschien dank ik het aan de ramp, die ons

zoo onverwacht trof."

Réné's gelaat werd doodsbleek; hij klemde zijn vingers in elkander, zijn lippen trilden, zijn stem klonk heesch, toen hij eindelijk sprak :

Sluiten