Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

„Och moeder" zei bij „'k kan niet meer, Mijn hert doet mij zoo hevig zeer — Zal 'k deroen moeten?"

Toen gleed hij naar den natten grond En ólierf daar ai) een zieke hond Aan hare voeten.

Afen ótak een kleine greppel af,

jffen lei hem in een haadig graf

Onder wat deenen, —

Zij hing een kranjke aan de heg, Zij zette een kruidke aan den weg —* En moed weer henen.

Haar voelen zogen, door het dijk, Al dieper dook beur lichaam lijk

Die honderdtallen,

En zwaarder diepend met heur laai,

Hield haar het meiöke zwaarder vaöt Om niet te vallen.

Een laten dag het meüke zei: „ Och moeder 't ié te ver voor mij, Rud gij niet even?"

Ze zei: „ iar gindóche óterre Maat, Daar Li 't, de Dutö zegt toch: het gaal Thanó om onj leven F'

5

Sluiten