Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Op een middag wordt ik op den Dam plotseling aangeschoten door n man, die met'n ietwat dubbele stem

roept: Batelt, Batelt!

Ik kijk om en zie een scheepsbevrachter op mij at

laveeren. , , . . , -i

„Batelt, hoor 'ns kerel. Je kent me, hè. Je weet dat ik

niet van praatjes houd, niet van kletskoek!

De kerel was danig boven z n bier.

Steelsgewijs keek ik eens wie er al zoo in de omgeving was. Ik had het niet erg op z'n amicaliteit. Toen ik kantoorbediende was had ik hem in het dok menig keer ontloopen, als hij weer den borrel op had. Was de man nuchter dan was het een kerel om mee op te schieten. Maar o wee, als hij bij de vrienden was geweest.

„Batelt, je bent nou bij de politie, en over me heen buigend herhaalde hij: , Je bent bij de politie nou! Mooi zoo. Jou moet ik nou net hebben. Batelt, ik heb n zakie voor je. Een mooi zakie. Luister nou goed hoor ! tn met dikke tong en 'n gemeenen lach om den mond ging hij voort: „Loop nou mee op. Kerel ik heb zoon mooi zakie voor je ... ja... zie je, die kerels moeten er in! ... En terwijl we langzaam voortstapten, hij nu en dan tegen mij aan zeulend, vertelde hij mij, dat hij ruzie had gekregen met 'n paar schippers. „Nou verbeeld-je, toen ze begonnen te schelden zei ik „wat, smerige katoendieven . Ja, want dat wist ik — smerige katoendieven. Toen zeien ze: „dat moet je eens waar maken. En nou zal ik 't ze waarmaken.

Nou zal ik mijn granje halen ...

't Duurde niet lang of ik wist 't verhaal van a tot z. Een paar maanden geleden, in de kermisweek, waren bij t lossen van katoenbalen er vijf zoek geraakt. De schippers, wier namen hij mij noemde, zouden ze hebben gestolen

Sluiten