Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

De Nachtwacht.

Toen ik in 1872 bij de politie in dienst trad, was de bewaking der stad bij nacht opgedragen aan de nachtwachts, gewone burgers die meestal overdag een handwerk hadden uit te oefenen, als kleermakers, schoenmakers, opperlieden.

De stad was toen ingedeeld in 6 secties of wel 5 politiebureaux met 1 hoofdbureau als 6e sectie, leder bureau had voor den nacht 26 bewakingskringen, kwartieren genoemd en in iederen kring of kwartier surveilleerden 2 nachtwachts. Deze nachtwachts werden gecontróleerd door de korporaals van het nachtwezen, die op hun beurt weder stonden onder den op het bureau resideerenden sergeant van den nachtdienst.

Alle agenten deden dus uitsluitend dagdienst en vandaar ook dat men 's nachts geen agent in uniform zou ontmoeten.

De kwartieren waren zoo ingedeeld dat de nachtwachthuisjes op de grachten op een hoek van de sluis stonden.

Precies 10 uur 's avonds kwamen de nachtwachts op en deden dan dienst tot den volgenden morgen 6 k 7 uur.

Zij waren voorzien van een ratel en op elk heel en en half uur hadden zij hun uurroep te verrichten: ^

„half elf heit de klok, de klok heit half elf."

Voor zij hun eigenlijke ronde aanvingen liepen zij langs de huizen en terwijl zij er flink op los ratelden riepen zij: „de wacht om een turfje.

Naar oud gebruik moesten zij dan van de bewoners

der gracht een turfje krijgen.

Vroeger ging dat echter beter, toen hout en turf de

eenige brandstof waren.

Sluiten