Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Het werd langzamerhand de menschen te lastig met het turfje te komen aandragen en daarom gaf men maar liever met kermis en met Nieuwjaar een fooi.

Zij die geen turfjesklanten, doch Nieuwjaarsklanten waren, werden behoorlijk gewaarmerkt door een met krijt aangekruist teeken op hun deur. Dat leidde wel eens tot meer dan geoorloofden aandrang. Met Nieuwjaar werd de bekende „Nieuwjaarswensch" rondbezorgd.

Eigenaardig was vooral de nachtwachtdienst bij brand. Zoo spoedig ergens brand ontdekt was, ging de nachtwacht zijn makkers in de omliggende kwartieren al ratelend en brandschreeuwend waarschuwen. Deze gewaarschuwde nachtwachts deden op hun beurt hetzelfde en zoo wist de stad in een ommezien waar de brand was. Het ongewone spektakel bracht dan gewoonlijk een ontzaggelijke massa menschen op de been en daar de torenwachters bovendien brandende lantaarns uithingen in de richting waar de brand was, kon iedereen zien welke richting hij uit moest om ook het schouwspel te kunnen gadeslaan.

Bij een brand van een tamelijken omvang was gewoonlijk de toevloed van nieuwsgierigen zoo groot, dat het blusschingswerk er nog al door werd bemoeilijkt.

De nachtwachthuisjes zagen er heel sobertjes uit.

Aan beide zijden bevond zich een groote bak waar de turven werden geborgen. Tevens diende deze bak tot zitplaats voor de nachtwachts.

Midden in het vertrekje stond gewoonlijk een ijzeren pot waarop turf lag te smeulen en boven dat vuurtje hing een ijzeren koffieketel. De verdere inventaris bestond gewoonlijk uit een lantaarn met vetkaars, een dreg en een houten ratel.

Het nachthuisje werd gesloten met een ouderwetsche

Sluiten