Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

„Moeke was een Zeedijksche van rond slag. Klappen deed ze niet. Wat ze ook weten mocht, ze trok partij voor d r jongens en meiden en wie poogde een woordje los te krijgen werd heerlijk met 'n kluitje in 't riet gestuurd. Ze beschermde d'r volkje en een jongen die 'snach» op karwei was geweest met de loopers en de breekwerktuigen, had z'n alibi. Daar wou „Moeke" wel „de beide voorvingers van de rechterhand" — zooals zij de rechters nasprak — valschelijk voor opsteken.

Ze nam t niet zoo nauw met de waarheid, maar omdat de „gasten goed voor haar waren, zorgde zij voor d'r volkje en eigenlijk deed zij het ook omdat ze niet kwaad van inborst was. Zoo mocht ze de meiden wel, en als er eentje een kind verwaarloosde dan zorgde „Moeke" voor de stumperd, want — dat is historisch — ze kon niet zien dat zoo n kind werd verwaarloosd of moest omkomen.

„Moeke wist wel wat voor goedje ze in d'r huis borg en verborg. En kwam n ,,stille met de dienders een bezoek brengen aan haar logement dan bracht dat groote ontsteltenis in het beruchte „Paradijs", maar geloof niet dat „Moeke" iets wist te vertellen.

Dat was ook niet noodig, want de recherche wist in den regel wel wat er bij „Moeke" te koop was. Had een van de jongens een slag geslagen, dan zag zij het aan de meiden. Weldra werden de nieuwe fluweelen blouses aangetrokken, glommen de gelakte schoentjes, blonken de nieuwe oorbellen, doekspelden, ringen en vooral: verschenen de geschuurde kopjes gekapt en gefriseerd, s Middags ondernamen de maats rijtoertjes met de meiden, s avonds ging 't de eene danszaal in, de andere uit, overal grof verterend zoolang er centen waren. Waren de centjes weer op, dan togen de spannetjes 's avonds al

Sluiten