Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

weer. Ik was me zelf niet meer, ik wist niet wat er met mij gebeurde, maar ik vond alles best. Op alles wat ze zei, zei ik ja, want zoo'n goeje, fatsoenlijke juffrouw — zooals ik toen nog dacht — ontmoet je niet alle dagen.

Al lachende kwamen we in een nauw straatje. „Hier is het!" zei zij. „Drie trappen op, hou je goed aan 't touw vast, ik zal je voorgaan."

't Was er pikdonker en ik zelf was erg doezelig. Ik kwam boven, hoe weet ik niet. Ik stond in een klein kamertje, t was er rommelig en 't rook er naar petroleum en gebakken visch. Maar ik vond het wel aardig. Zoo rondziende, alles in een waas, kwam zij naar hem toe en zei: „Zeg vent, geef nou geld, dan zal ik brood, kaas en een lekker slokkiekoopen en dan... hè ?" ze fluisterde me wat in het oor, ik gaf haar geld, mijn zestig Mark om met-een te wisselen.

Ze was pas weg, of er kwam een andere fatsoenlijke juffrouw bij, haar zuster. Ze kwam me gezelschap houden, ging me ook aanhalen en zoenen. Haar zuster, die met kaas en brood binnenkwam, werd toen boos van jaloerschheid. Enfin, we gingen eten en drinken en werden vroolijk en zongen en maakten pret. Ik zat tusschen de twee jufvrouwen, die half om me vochten. Ik voelde me moe en slaperig worden, alles schemerde voor me, ik werd suf en viel in slaap. Toen ik wakker werd, stond de zon hoog aan den hemel en zag ik — ik kon m'n oogen niet gelooven.... dat ik op een bank in een plantsoen lag. Ik wist niet wat ik denken moest en wat er met mij gebeurd was, want ik was zwaar in mijn hoofd en voelde me ziek. Een beetje bijgekomen, zocht ik mijn zakken na en schrikte geweldig, want ik was al mijn geld kwijt en ook het horloge eene gedachtenis van mijn moeder. Ik voelde mij ongelukkig en slecht. Wat te beginnen in de vreemde stad? Ik

Sluiten