Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

en brengen hen behouden naar het bureau. En wie, denkt ge, was het hoofd dezer inbrekers ? . . . Karei! Hij kreeg zijn zin en ging met zijn kornuiten weder voor een jaar in de groote parapluie.

Jaren verliepen, In geen zeven-en-twintig jaar had ik iets van Karei vernomen; ik dacht bepaald dat hij dood was. Op een dag, dat ik op het Hoofdbureau mij verdiepte in het ontwarren van een moeielijke zaak, wordt aan mijn deur geklopt.

,,Binnen!"

Een oud heertje, burgerlijk deftig in het zwart, een witte das om, het type van een oude huisjesmelker, doet behoedzaam de deur open, draait er binnen, neemt zijn hoogen hoed langzaam af, en staande met een zwarten stok in de eene en den hoed in de andere hand vraagt hij: ,,Heb ik de eer, mijnheer Batelt te zien ?"

—Ja, Batelt ben ik.

— Ziet U mij eens goed aan ?... Kent U me nog ?

Een oogenblik stond ik in twijfel. Hem goed indeoogen

ziende, herkende ik in hem mijn ouden bekende, Karei. Wie zou in dit oude heertje ook dadelijk den ouden boef hebben herkend! Hij kwam nader en gaf mij de hand. In het handen-geven was hij nooit spaarzaam geweest. Ik gaf hem een stoel en vroeg hem hoe het hem al die jaren vergaan was, wat hij uitgevoerd had en wat hij thans deed.

— Je mot dan weten — de vertrouwelijke toon kwam weer terug — Je mot dan weten, toen ik mijn straf voor die paneelzagerij had uitgezeten, ben ik weer naar mijn geboorteplaats gegaan. Het was mijn eigen schuld dat ik vier jaar opgeborgen werd, je hadt me genoeg gewaarschuwd. En dan die verduivelde drank! Enfin, dat is ge-

Sluiten