Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Dit was nu het geval. O. m. had ik op mijn rapportvan ingekomenen ook 186. Hij was een der eersten, die ik bezocht.

Als altijd had ik ook nu mijn aanteekenboekje in de hand, en binnenkomende, deed ik, of liever wilde ik de gebruikelijke vragen, van naam, beroep en woonplaats, doen.

Hij zat tricot te trekken, dat wil zeggen; van oud tricotgoed moest hij poetskatoen maken.

Bij mijn binnenkomen bleef hij heel bedaard zitten, zonder op of om te zien. Ik nam echter, als gewoonlijk, van die onbeleefdheid niet dadelijk notitie, maar plaatste mij naast hem, en vroeg hem, na hem vooraf goeden morgen gewenscht te hebben: „wie is u?"

Maar daar had men het! Opeens stond hij op. en stak het eene eind van den lap tricot tusschen de tanden, terwijl hij aan het andere eind stond te trekken als een wilde hond, terwijl zijne oogen woest op mij gericht waren. Ik begreep dadelijk alles. Ook het gevaar, waarin ik mij bevond, en nog ai liefst op de derde étage, waar niet altijd een bewaarder bij de hand is, om te helpen. Om hulp roepen, of met mijne zakfluit een signaal geven, ging evenmin, dat zou zeer zeker het gevaar nog grooter gemaakt hebben; ik sprak dus schijnbaar zeer kalm over zijn werk, en gaf hem geene gelegenheid, iets anders aan te zien, dan mij; voortdurend zocht mijn oog het zijne; intusschen schoof ik ongemerkt naar de deur, tot ik opeens naar buiten stoof en de deur dichtsmeet.

Een vreeselijk oogenblikje had ik doorleefd. De man was krankzinnig geworden. En wel zeer gevaarlijk krankzinnig.

Zeer zeker heb ik te weinig van dat soort patienten gezien, om te durven zeggen: die man was meer dan krankzinnig; maar indien dit niet het geval was, dan was toch zeker de afstand tusschen krankzinnig en van den duivel bezeten niet groot.

Deze man — het is bijna twintig jaar geleden en

Sluiten